De vaderlandse geschiedenis


Prehistorie en oudheid

Paleolithicum (ca. 250.000 – 8300 v.Chr.)

Nederland Schedel van Neanderthaler

De vroegste sporen van menselijke aanwezigheid dateren uit een warme fase in het klimaat ca. 250.000 jaar geleden. Een aantal elkaar in tijd opvolgende woonplaatsen van de Homo erectus werd aangetroffen onder löss- en rivierafzettingen en in de Belvédère-groeve bij Maastricht. Uit de sporen blijkt dat de oudst bekende bewoners van Nederland o.a. jacht maakten op olifanten, neushoorns en herten.
Bij Rhenen leverden zandgroeven vondsten op van ca. 200.000 tot 150.000 jaar oud. Van ca. 12.500 jaar geleden dateren nederzettingen langs de Maas, terwijl op de dekzanden ten noorden van de grote rivieren jagers-verzamelaars jacht op rendieren maakten. Naast de jacht waren in deze periode visvangst en het verzamelen van wat vruchten en knollen belangrijk.

Mesolithicum (ca. 8300-5300 v.Chr.)

Kaart van Nederland 5500 v Chr.

Gedurende het mesolithicum steeg de temperatuur relatief snel waardoor de zee- en grondwaterspiegel steeg. Hierdoor werd de planten- en dierenwereld veel gevarieerder, wat zijn weerslag had op de mens. Er ontstonden veel meer voedselbronnen naast de jacht op groot wild: vis- en vogelvangst en het verzamelen van noten, vruchten en schaaldieren. Men trok minder rond, de bevolking groeide en bleef langer op één plaats wonen in primitieve nederzettingen.
Rond 6500 v.Chr. wordt op grond van het materiaalgebruik en het voorkomen van bepaalde soorten vuursteenspitsen Nederland globaal in twee cultuurgebieden onderscheiden. Noord-Nederland vormde toen samen met de Noord-Duitse laagvlakte de Nordwest Kreis en Zuid-Nederland maakt met de Belgische Kempen en het Duitse Rijnland deel uit van de Rhine Basin Kreis.

Neolithicum (ca. 5300-2100 v.Chr.)

Nederland Hunebed

Omstreeks 5300 v.Chr. worden in Nederland voor het eerst de veranderingen van de neolithische revolutie merkbaar door de bandkeramiek, typisch versierd aardewerk en het vroegste voorbeeld van keramiek in Nederland. De bandkeramiekers vestigden zich bij voorkeur op de licht te bewerken löss en een aantal nederzettingsterreinen is dan ook opgegraven in Zuid-Limburg. Boven de grote rivieren bleef de mesolithische cultuur gangbaar.
Omstreeks 4400 v.Chr. werd de neolithische leefwijze in Noord-Nederland geïntroduceerd door mensen van de Deense en Noord-Duitse Swifterbantcultuur. Van deze jagende en vissende boeren zijn veel sporen teruggevonden in de IJsselmeerpolders en in Overijssel en verder in het Maas- en Rijnmondgebied en in Drenthe en Gelderland.
Omstreeks 3500 v.Chr. zijn er weer twee van elkaar gescheiden cultuurgebieden te onderscheiden. De trechterbekercultuur (ca. 3400-2850 v.Chr.) is bekend geworden dankzij de hunebedden in met name de provincie Drenthe en tegelijkertijd woonden bij de grote rivieren verspreide populaties van de Vlaardingencultuur (ca. 3500-2500 v.Chr.).
In Zuid-Limburg werd al ten tijde van de Michelsbergcultuur aan vuursteenmijnbouw gedaan en aanvankelijk speelde de winning zich af in dagbouw en later ook in schachten.
Tijdens het laat-neolithicum begroef men zijn doden steeds vaker onder grafheuvels. Het laat-neolithicum in Nederland begint met de opkomst van de zogenaamde strijdhamer- of strijdbijlculturen (ca. 2900 v.C.) en de vroegste Nederlandse vertegenwoordiger hiervan is de standvoetbekercultuur (ca. 2900-2450 v.Chr.), waaruit zich ca. 2500 v.Chr. de klokbekercultuur (ca. 2700-2100 v.Chr.) ontwikkelde, die in vrijwel geheel Nederland gevonden wordt. In 1991 werden op Schokland (resten van) skeletten van twintig mensen uit ca. 2600 v.Chr. gevonden. Ze waren begraven in hurkhouding, de mannen met het hoofd naar het westen en de vrouwen met het hoofd naar het oosten.

Bronstijd (ca. 2100-800 v.Chr.)

Nederland Bronstijd

De overgang van neolithicum naar bronstijd is geleidelijk verlopen. Het wikkeldraad-aardewerk uit het allereerste begin van de bronstijd (ca. 2100-1800 v.C.) sluit qua versiering en techniek aan op het late klokbeker-aardewerk. De dodenbezorging gebeurde nog steeds onder grafheuvels, nu echter meestal zonder bijgaven, de voorwerpen die aan de dode werden meegegeven. Stenen werktuigen bleven nog lang in gebruik.
Koperen voorwerpen werden al tijdens het laat-neolithicum gebruikt en in de vroege bronstijd werd het brons als grondstof steeds vaker gebruikt voor gereedschap en later ook voor sieraden. Gedurende de gehele bronstijd zijn er in Nederland regionale bronsindustrieën geweest. Voor de grondstoffen was men afhankelijk van aanvoer van elders, en dat gebeurde bijvoorbeeld via ruilhandel.
In de midden-bronstijd (ca. 1800-1200 v.C.) bestond in Midden- en Zuid-Nederland de Hilversumcultuur en in Noord-Nederland de Elpcultuur. Sommige archeologen onderscheiden in West-Friesland in deze tijd nog een derde culturele eenheid (Hoogkarspel) die doorloopt tot ca. 800 v.Chr.
De late bronstijd (ca. 1200-800 v.Chr.) wordt gedomineerd door de over vrijwel geheel Nederland voorkomende urnenvelden. De urnenveldenperiode (ca. 1200-500 v.Chr.) loopt door tot in de midden-ijzertijd en deze urnenvelden ontstonden vermoedelijk in de 13de eeuw v.Chr. in Centraal-Europa en drongen via o.a. een veranderend religieus besef in Nederland door.

IJzertijd (ca. 800-50 v.Chr.)

Nederland Boerderij Ijzertijd

Opvallend overblijfselen uit de vroege ijzertijd (ca. 800-550 v.Chr.) zijn de zogenaamde vorstengraven in het zuiden van Nederland. Deze vorstengraven bevatten prestigieuze bijgaven, zoals uit Italië geïmporteerde bronzen emmers, rijk versierde zwaarden, en in Wijchen zelfs onderdelen van een vierwielige pronkwagen.
Door het scherpe contrast met de zeer sobere begravingen uit de urnenvelden denkt men dat het kan gaan om de bijzettingen van een regionale elite die begraven werd volgens de Keltische stijl.
De Europees getinte bronshandel verdween al snel en werd vervangen door een plaatselijke ijzerproductie en daardoor werden ook de contacten van Zuid-Nederland met het Centraal-Europese cultuurgebied verbroken.
In Noord-Nederland dreigde overbevolking en werden de bewoners van de Hondsrug in Drenthe tot kolonisatie van de kuststreek gedwongen. Daar kwamen de bewoners van West-Friesland waarschijnlijk bij, die als gevolg van de uitbreiding van het hoogveen hun drassige woongebied moesten verlaten. Men vestigde zich op de drooggevallen kwelders voor de kust van Friesland en Groningen, waar de vruchtbare grond geschikt bleek voor de verbouw van gewassen. Toen het water weer begon te stijgen, trok men zich niet meer terug op de hogere gronden. In plaats daarvan werd met behulp van mest en klei de woonplaats verhoogd waardoor de eerste terpen ontstonden.
De terpboeren schakelden ook steeds meer over op de veeteelt. Zo ontstond na enige tijd in dit geïsoleerde terpengebied een nieuwe cultuur, verbonden met de naam Friezen. Op de hogere zandgronden, met name in Drenthe, werden in de ijzertijd op grote schaal “celtic fields” aangelegd, akkers die omgeven werden door lage walletjes.
In de late ijzertijd (ca. 250-12 v.Chr.) nam de bevolking van Nederland sterk toe en kwam het zuiden weer in de buurt van het Centraal-Europese cultuurgebied te liggen. Dat uitte zich in toenemende aantallen waardevolle geïmporteerde voorwerpen. In de Betuwe, het woongebied van de Bataven, gebruikte men waarschijnlijk zelfs een eigen muntslag. In het oostelijke rivierengebied werden glazen armbanden en sieraden geproduceerd.
In 57 v.Chr. drongen de legioenen van Gaius Julius Caesar door tot in Zuid-Nederland. De Romeinen stuitten echter op sterke tegenstand en zij trokken zich dan ook terug. In 12 v.Chr. kwamen de Romeinse legers, nu definitief, terug. Door hun komst kwamen de eerste geschreven geschiedkundige bronnen die handelden over deze gebieden, totstand.

Middeleeuwen

Nederland Clovis

Toen de Romeinen (57 v.C.) voor het eerst arriveerden werd het latere Nederlandse grondgebied bewoond door Kelten en Germanen. De invloed van de Romeinen op deze volken was niet zo groot doordat de afstand tot Rome te groot en het verzet van de inheemse volken te sterk was. Door interne strijd in het Romeinse Rijk had het veroveren van deze uithoek van het rijk bovendien geen prioriteit. In de 5e tot en met de 7e eeuw werd het Nederlandse grondgebied verdeeld door drie bevolkingsgroepen: in het noorden tot de IJssel en langs de westkust tot in het huidige Zeeland overheersten de Friezen; in het oosten, tussen de rivieren de Eems en de Rijn, de Saksen en in het zuiden de Franken die door het geslacht der Merovingers tot één rijk verenigd waren. In de 7e eeuw kwam het noordelijke deel van het Nederlandse grondgebied te vallen onder de zogenaamde “hofmeiers”, opzichters over de hofhouding van de Merovingers. Het zuiden was ondertussen gekerstend na de bekering van Clovis I.
Het Karolingische Rijk, dat duurde van 751 tot 925, breidde zich uit naar het noorden en het zuiden. Karel de Grote vestigde zijn gezag over de Friezen in 785 en over de Saksen in 804. Karel de Grote stierf in 814 en onder zijn zoon Lodewijk de Vrome en diens opvolgers verzwakte de macht van de Karolingers zienderogen. De Noormannen maakten van deze desintegratie gebruik en vielen het rijk binnen.
Na het Verdrag van Verdun in 843 viel het rijk in drie delen uiteen: het Westfrankische, het Oostfrankische Rijk en het Middenfrankische Rijk waar het grootste deel van Nederland bijkwam. In 855 werd het Middenfrankische Rijk weer in drieën verdeeld. De Nederlanden behoorden toen tot het noordelijke deel en werden in 925 bij het Oostfrankische of Duitse Rijk gevoegd, waar het formeel tot 1648 (Vrede van Münster) deel zou gaan uitmaken. De Duitse keizer bleef in naam leenheer van de Nederlandse gebieden, maar had in feite niet meer dan een ceremoniële functie.
In de Middeleeuwen, tussen de tweede helft van de 9de en het eind van de 14de eeuw, zag een groot aantal grondbezitters kans zijn territorium uit te breiden en meer of minder machtige “leenstaten” te vestigen. De graven van Holland en Zeeland en de hertogen van Gelre en van Brabant werden de machtigste feodale vorsten. Het gebied dat nu ongeveer België, Nederland en Luxemburg omvat, de Lage Landen, bestond uit vrijwel autonome gebieden. De belangrijkste bestuurlijke eenheden waren toen:
Het graafschap Vlaanderen, later uitgebreid met Rijksvlaanderen.
Het hertogdom Brabant, met als centrum Leuven.
Het bisdom Utrecht.
Het graafschap Holland, dat later Zeeland veroverde.
Gelre of Gelderland dat pas in de 12e eeuw een eenheid werd.
De graafschappen Namen, Luxemburg en Henegouwen dat vanaf 1300 verenigd werd met Holland, Zeeland en Friesland.
Friesland had geen landsheer en was niet meer dan een federatie van boerenrepubliekjes.
Nederlands Limburg lag in die periode ten oosten van de Maas en Belgisch Limburg lag in het graafschap Loon, dat in 1366 door het prinsdom Luik werd ingelijfd. Luik was tot de Franse Revolutie een afzonderlijke staat.

Bourgondische periode

Nederland Jacoba van Beieren

In 1369 trouwde Filips de Stoute, de zoon van de Franse koning en hertog vanBourgondië, met Margaretha van Male, de erfdochter van de Vlaamse graaf. In 1384 werd Filips graaf van Vlaanderen en Artois. De kleinzoon van Filips de Stoute, Filips de Goede, startte met de dynastieke eenmaking van de Nederlanden. Zo kocht hij Namen en erfde in 1430 Brabant en Limburg.
In 1433 lukte het hem om Jacoba van Beieren, gravin van Holland, Zeeland en Henegouwen, te onttronen. De Bourgondische veroverings- en huwelijkspolitiek resulteerde ca. 1470 in de vorming van een machtig middenrijk, dat zich uitstrekte van Bourgondië tot Groningen. Filips stelde ook een adviesorgaan in, de Staten-Generaal, die in 1464 voor het eerst in Brugge bijeen kwamen.
De zoon van Filips, Karel de Stoute, stierf in 1477 maar had geen mannelijke opvolger. Lodewijk XI van Frankrijk profiteerde hiervan door enkele gebieden in te nemen.
De dochter van Karel de Stoute, Maria van Bourgondië, trouwde eveneens in 1477 met Maximiliaan I, de aartshertog van Oostenrijk en later Duits keizer. De Nederlanden werden hierdoor opgenomen in het bestel van het Habsburgse vorstenhuis en zo werd voorkomen dat de Fransen nog meer gebieden konden innemen. Maximiliaan werd opgevolgd door zijn zoon Filips de Schone, die weer trouwde met de Spaanse prinses Joanna van Aragon. Uit dit huwelijk werd in 1500 Karel V geboren die later koning vanSpanje, Napels en Sicilië werd. Verder erfde hij de Oostenrijkse bezittingen van de Habsburgers en werd tenslotte keizer van het Heilige Roomse Rijk. Karel V maakte zich ook druk over de eenmaking van Nederland en verwierf in de periode 1523-1543 achtereenvolgens Friesland, Utrecht en Overijssel, Groningen en Drenthe en Gelderland. Op het Prinsdom Luik na was het gehele huidige grondgebied van België, Nederland enLuxemburg in handen van Karel V en dit gebied werd vaak aangeduid met de naam Zeventien Provinciën.
In 1555 deed Karel troonsafstand en werd zijn broer Ferdinand keizer van het Heilige Roomse Rijk. Zijn zoon Filips II werd vorst in de Nederlanden en tevens koning van Spanje.

De opstand tegen Spanje

Nederland Willem van Oranje

Ondertussen was het protestantisme vanuit Duitsland (Maarten Luther) en Frankrijk (Calvijn) in de Lage Landen doorgedrongen en was door de katholiek Karel V de koninklijke inquisitie ingevoerd, die onder zijn regeerperiode al meer dan 2000 protestanten veroordeelde en liet executeren. Filips II keerde zich nog feller tegen het protestantisme dat hij ook als een bedreiging voor de staatkundige eenheid van zijn rijk beschouwde. Het verzet bij de adel en het gewone volk tegen de inquisitie en een fenomeen als de “plakkaten”, die uitgevaardigd werden tegen het protestantisme, nam steeds grotere vormen aan. In 1566 boden ca. 400 edelen aan de landvoogdes, Margaretha van Parma, een smeekschrift aan waarin o.a. gevraagd werd de inquisitie te stoppen. Het gewone volk uitte zich door in drie weken tijd op grote schaal beelden, andere objecten van religieuze kunst en liturgische gebruiksvoorwerpen te vernielen in kerken en kloosters. Deze oproer werd de “Beeldenstorm” genoemd.
Filips besloot om het oproer streng te bestraffen en schakelde hiervoor de hertog van Alva in, die met een leger van 10.000 man naar de Nederlanden trok. Alva richtte de “Raad van Beroerten” op, door het volk de Bloedraad genoemd. Door deze raad werden meer dan duizend personen ter dood veroordeeld, o.a. Egmont, de stadhouder van Vlaanderen, die onthoofd werd.
Willem van Oranje was op dat moment stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht en organiseerde vanuit zijn graafschap Nassau in Duitsland het militaire verzet tegen het Spaanse schrikbewind. In 1568 trok hij de Maas over, richting Brussel: de Tachtigjarige Oorlog was begonnen!
Deze poging en een andere in 1572 mislukten echter. Een groepje zogenaamde “watergeuzen” had meer succes en bezette enkele Hollandse en Zeeuwse havens, waarna de bevolking van Holland en Zeeland zich massaal achter de bevrijders schaarde. Ook Willem van Oranje vertrok naar Holland, om van daaruit verder te vechten. Door muitende Spaanse troepen in de Zuidelijke Nederlanden keerde ook het Zuiden zich tegen de rovende en moordende Spanjaarden. In 1576 kwamen vertegenwoordigers van alle officiële gewesten samen in Gent en bereikten een akkoord, de Pacificatie van Gent. Ze dienden een aantal eisen in bij de Spanjaarden waaronder de onmiddellijke terugtrekking van de Spaanse troepen en algemene amnestie. De eensgezindheid was echter van korte duur en in 1578 verenigden de katholieke Waalse gewesten zich in een katholieke liga, de Unie van Atrecht. De zoon van Margaretha van Parma, Farnese, werd erkend als de nieuwe landvoogd. In 1579 werd de Unie van Utrecht opgericht, die bestond uit Holland, Zeeland, Utrecht, Gelderland en de voornaamste Vlaamse en Brabantse steden. Deze vooral militaire unie was gericht tegen het door Farnese gebruikt geweld. De twee unies waren verder een voorbode voor de definitieve scheiding tussen de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden.
Tot 1589 veroverde Farnese verschillende steden en gebieden, behalve Holland, Zeeland, Utrecht, Friesland en een deel van Gelderland. Na de “Val van Antwerpen”, de verovering door de Spanjaarden en de sluiting van de Schelde door de Noordelijke Nederlanden was de scheiding van de Nederlanden definitief en de Republiek der Zeven Provinciën (1588) geboren.
In 1590 ging de zoon van Willem van Oranje, prins Maurits, in de tegenaanval en veroverde alle gebieden boven de grote rivieren. In 1598 stond Filips II de Nederlanden af aan zijn dochter Isabella, die later zou trouwen met Albrecht van Oostenrijk. Deze Albrecht werd door geldgebrek gedwongen de strijd te staken en het Twaalfjarig Bestand (1609-1621) te ondertekenen. De Spaanse koning erkende de Verenigde Provinciën als vrije en soevereine gewesten.
In 1621 werd de oorlog hervat en veroverde de opvolger van Maurits, prins Frederik Hendrik, een aantal steden in Noord-Brabant, Limburg en Zeeuws-Vlaanderen. Uiteindelijk werd in zowel de Noordelijke als de Zuidelijke Nederlanden de oorlogsmoeheid zo groot dat in 1648 de vrede werd getekend. Bij deze Vrede van Münster werd de Republiek van de Zeven Provinciën door Spanje erkend en bleven de Zuidelijke Nederlanden Spaans.

Bloeitijd van de Republiek: De Gouden Eeuw

Nederland Rembrandt

Economisch ging het de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden in de zeventiende eeuw voor de wind. In de slipstream van de economische opgang kwamen ook de kunsten en wetenschappen tot grote bloei. Zo werd in 1575 de Universiteit van Leiden opgericht en schilderden Rembrandt, Jan Steen, Frans Hals en Johannes Vermeer prachtige schilderijen.
Vóór de opstand was Antwerpen de link tussen de producten uit de Spaanse en Portugese koloniën en Noord-Europa. Na de Val van Antwerpen trokken veel kooplieden uit het Zuiden naar de Republiek in het noorden. Met hun kennis en kapitaal werden de producten uit Afrika, Azië en Amerika nu zelf gehaald. De organisatie van de overzeese handel en het beheer daarvan kwam langzamerhand bijna volledig in handen van de Hollanders en hun compagnieën, de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC: 1602) en de Westindische Compagnie (WIC: 1621). Deze compagnieën bezaten uitgebreide bevoegdheden en waren bijvoorbeeld gerechtigd om bondgenootschappen te sluiten en een leger en een vloot te onderhouden. Ook het bestuur, de rechtspraak en de ordehandhaving werden door hen uitgevoerd in de Nederlandse bezittingen overzee.
In die tijd legde de Republiek de basis voor de Nederlandse bezittingen in Zuid-Afrika en de latere koloniën Oost-Indië (nu: Indonesië) en West-Indië (nu: Suriname en de Antillen).
De opvolger van Frederik Hendrik, zijn zoon Willem II, kwam na de vrede in ernstig conflict met de Hollandse regenten over de door hem niet gewenste afdanking van de troepen. Willem II won het conflict maar stierf al in 1650. Doordat zijn opvolger nog maar pas geboren was en de Staten geen nieuwe stadhouder aanstelden, ving het eerste stadhouderloze tijdperk aan dat tot 1672 zou duren. Het mag duidelijk zijn dat in deze periode de macht van de Hollandse regenten zeer groot was. De leidende staatsman in die periode was raadspensionaris Johan de Witt. Voordat hij in 1653 benoemd werd brak de Eerste Engelse Oorlog uit, die door Engeland werd gewonnen in 1654. De Witt versterkte na de nederlaag de vloot en wist de Tweede Engelse Oorlog (1665-1667) te winnen onder leiding van de geniale Michiel de Ruyter.
In die jaren rukte het leger van Lodewijk XIV, de Zonnekoning, op richting de Zuidelijke Nederlanden. Met behulp van de Republiek en haar bondgenoten wist men de annexatie van de Zuidelijke Nederlanden door de Fransen te voorkomen. In het zogeheten “rampjaar” 1672 werd de Republiek rechtstreeks aangevallen door Lodewijk, samen met de Engelsen en in het oosten door Münster en Keulen. Het oosten en het zuiden van de Republiek werden bezet tot aan de Hollandse Waterlinie. Het volk kwam echter in opstand en de jonge prins van Oranje, Willem III, werd tot stadhouder en bevelhebber van het leger uitgeroepen. Willem III kreeg in die strijd hulp van Spanje, de Duitse keizer en Brandenburg en wist al in 1673 de vijand uit de Republiek te verdrijven. In 1674 werd met Engeland, Münster en Keulen vrede gesloten en in 1678 volgde de Vrede van Nijmegen met Frankrijk.
Willem III werd in Europa de verpersoonlijking van het verzet tegen het Franse expansionisme. Zijn positie werd nog versterkt toen hij in 1688 de Engelse troon besteeg. In datzelfde jaar brak de Negenjarige Oorlog uit, waarin Nederland en Engeland Lodewijk XIV wisten te verslaan. Niet veel later stonden dezelfde kemphanen weer tegenover elkaar in de Spaanse Successieoorlog (1702-1713) die ging over de erfopvolging in Spanje. In 1702 overleed Willem III en opnieuw werd er geen nieuwe stadhouder aangesteld, het begin van het tweede stadhouderloze tijdperk dat tot 1747 zou duren. De Spaanse Successieoorlog had echter zeer veel geld gekost en de positie van de Republiek als grote mogendheid kwam zwaar onder druk te staan. Het tweede stadhouderloze tijdperk werd gekenmerkt door een gebrek aan leiderschap en de Republiek liep geheel aan de leiband van de Engelsen. Ook economisch streefden Frankrijk en Engeland de Republiek voorbij. In 1741 raakte de Republiek betrokken bij de Oostenrijkse Successieoorlog (1741-1748) en in 1747 drongen Franse troepen het Staatse grondgebied binnen. Het volk riep weer de hulp van de Oranjes in en Willem van Nassau-Dietz, stadhouder van Friesland, Drenthe en Gelderland werd stadhouder van alle gewesten en kapitein- en admiraal-generaal van de Unie.
Onder invloed van de Verlichting waaiden uit Frankrijk ideeën over en kregen democratische denkbeelden steeds meer invloed op het staatsbestel. De opvolgers van Willem III, Willem IV en Willem V, trokken zich echter weinig aan van de wensen van het volk. Er ontstond al snel een anti-Oranjegezinde beweging, de patriotten. In de periode 1785 tot 1787 hadden de patriotten zelfs het bestuur van Holland en Utrecht in handen.
In 1780 raakte de Republiek, als bondgenoot van Frankrijk, weer in oorlog met Engeland, de Vierde Engelse Oorlog. Nederland leed de ene nederlaag na de andere en uiteindelijk eindigde de strijd onbeslist en dit was voor de patriotten olie op het vuur. In 1787 werd prinses Wilhelmina, de zuster van de Pruisische koning en echtgenoot van de stadhouder, door de patriotten aangehouden. Als reactie hierop vielen in september 1787 de Pruisische troepen de Republiek binnen. Het gevolg hiervan was dat de Oranjes overal weer het heft in handen namen en veel patriotten naar Frankrijk vluchtten.
In 1793 werd de Republiek de oorlog verklaard door de Franse Republiek en in januari 1795 werd de Republiek overlopen door Franse troepen.

De Franse tijd (1795-1813)

Nederland Lodewijk Napoleon

Samen met de Franse troepen kwamen ook de uitgeweken patriotten terug en zij namen overal het bestuur weer in handen. Op 16 mei 1795 werd er al een verdrag ondertekend en werd de Bataafse Republiek, zoals het land zich voortaan noemde, als onafhankelijke staat erkend, maar in feite gewoon een Franse vazalstaat was. In 1806 werd de Bataafse Republiek tot het “Koninkrijk Holland” uitgeroepen met de broer van Napoleon Bonaparte, Lodewijk Napoleon, als koning. Op 13 juli 1810 volgde de inlijving bij het Franse Keizerrijk. Napoleon leed in 1813 echter grote nederlagen in Rusland en bij Leipzig. Hierdoor behield men in Nederland de hoop op een snelle bevrijding van de Fransen. Onder leiding van Gijsbert Karel van Hogendorp bereidde men zich voor op de onafhankelijkheid.
Op 21 november 1813 begonnen de Franse troepen zich terug te trekken en op 30 november kwam de prins van Oranje, de zoon van Willem V, in Scheveningen aan, naar Nederland geroepen door Van Hogendorp. Op 2 december 1813 werd hij als de soevereine vorst koning Willem I ingehuldigd. In maart 1814 kwam de eerste Grondwet tot stand en al eerder was besloten dat de Zuidelijke Nederlanden met de Noordelijke Nederlanden verenigd zouden worden. Dit alles werd geregeld bij het congres van Wenen in 1814.
Na het aftreden van Napoleon op 6 april 1814 vertrokken de laatste Franse troepen uit Nederland. In 1815 keerde Napoleon echter weer terug maar na de verloren slag bij Waterloo keerden de Fransen definitief terug naar Frankrijk. Op 24 augustus kwam de nieuwe Grondwet voor het Verenigd Koninkrijk tot stand en in 1816 kreeg Nederland de meeste koloniën weer terug.

Nederland en België

Nederland Willem II

De nieuwe Grondwet zorgde voor een sterk koninklijk gezag. Het kiesrecht was beperkt tot een kleine groep bevoorrechte burgers en van partijen in moderne zin was nog geen sprake. Alleen voor wetgeving was de koning gebonden aan medewerking van de Staten-Generaal, de Eerste en Tweede Kamer. Door o.a. enkele taalbesluiten probeerde Willem I van de Verenigde Nederlanden ook echt een eenheid te maken. Het Nederlands zou de officiële taal in de Vlaamse provincies moeten worden maar de verfranste burgerij was hier fel op tegen. Men was bovendien toch al niet zo gecharmeerd van het autocratische bewind van Willem I. Ook probeerde de regering de kerken aan haar toezicht te onderwerpen en in 1828 sloten de katholieken en liberalen in het zuiden zich in een unie aaneen tegen de regering.
In 1830 brak in Frankrijk de Juli-revolutie uit die in Zuid-Nederland leidde tot de Belgische Revolutie, waarna België zich afscheidde van Nederland. In 1839 werd deze scheiding definitief. De Personele Unie met Luxemburg bleef nog tot 1890 bestaan en de provincie Limburg bleef tot 1866 als hertogdom lid van de Duitse Bond.
Een herziening van de Grondwet van 1815 was natuurlijk weer noodzakelijk en in 1840 kwam de nieuwe Grondwet tot stand. In 1840 deed Willem I afstand van de troon en werd opgevolgd door zijn oudste zoon, Willem II. Een liberale grondwetsherziening zat er nu nog niet in, maar in 1848 nam de koning, onder de indruk van de revoluties in Frankrijk en Duitsland zelf het initiatief tot een grondwetsherziening. In de geest van de grote liberaal Thorbecke werd o.a. de volledige ministeriële verantwoordelijk ingevoerd, de bevoegdheden van de Staten-Generaal sterk uitgebreid (o.a. recht van amendement en interpellatie) en directe verkiezingen voor de Tweede Kamer ingevoerd.
In 1849 werd Willem II opgevolgd door zijn zoon Willem III. Door een constitutionele crisis die duurde van 1866 tot 1868 kwam Nederland tot een volledige parlementaire regeringsvorm en had de persoonlijke wil van de koning steeds minder invloed op het beleid van de regering. Tot twee keer toe ontbond Willem III de Kamer, nadat deze het ministerieel beleid afgekeurd had. En toen een nieuwe Kamer ook een derde maal afkeurend oordeelde, bleef er maar één mogelijkheid over: ontbinding van de regering. Het principe dat een regering die het vertrouwen van het parlement mist, aftreedt, had daarmee gezegevierd.
In 1890 overleed koning Willem III en werd opgevolgd door zijn dochter Wilhelmina, die tot 1898 onder regentschap stond van haar moeder, koningin Emma. Rond de eeuwwisseling beleefde Nederland op velerlei gebied een bloeiperiode, o.a. in de handel, nijverheid, scheepvaart en landbouw. Ook cultuur en wetenschapbeoefening stonden op een hoog peil met tot 1913 zes Nobelprijswinnaars. Alleen militair bleef Nederland zwak.

Eerste Wereldoorlog en Interbellum

Nederland aanleg Afsluitdijk

Die militaire zwakheid werd in de Eerste Wereldoorlog nog niet afgestraft omdat het liberale kabinet-Cort van der Linden de neutraliteit van Nederland wist te bewaren. Net voor het eind van de oorlog werd Nederland opgeschrikt door een socialistische revolutiepoging, de “vergissing” van Troelstra. De sterke negatieve reacties van het koningsgezinde deel van de bevolking zorgden ervoor dat de poging mislukte.
In 1922 werd het vrouwenkiesrecht in de grondwet vastgelegd. Verder was het in het interbellum vrij saai in Nederland. In de politiek waren en bleven de confessionelen aan de macht en de samenleving was in duidelijke blokken of “zuilen” opgedeeld. In de krachtsverhoudingen tussen de zuilen kwamen nauwelijks veranderingen voor en extreme groeperingen als de communisten kregen niet echt een voet aan de grond in het parlement. Ook wisten de voormannen van de grote partijen het gezag binnen hun partijen gamakkelijk te handhaven.
Zelfs de grote economische crisis en de revolutionaire ontwikkelingen in Europa in de jaren dertig werden door burgers en arbeiders met een grote mate van passiviteit ondergaan, alleen het Jordaan-oproer was een uitzondering. Zelfs in de laatste jaren vóór de oorlog bleef de Nederlandse bevolking blindelings vertrouwen op de schijnbaar onaantastbare neutraliteit.

Oorlog en bezetting

Nederland Wilhelmina

Op 10 mei 1940 vielen de Duitse troepen Nederland binnen, vijf dagen later was het land grotendeels bezet en op 14 mei capituleerde het Nederlandse leger. De Nederlandse regering had ondertussen al het land verlaten en leidde van Londen uit het Nederlandse verzet buiten bezet gebied en bereidde de bevrijding van Nederland voor. Ook behield men vanuit Londen het oppertoezicht over de overzeese gebiedsdelen. Het belangrijkste gebied, Nederlands-Indië, ging na de val van Java op 9 maart 1942 verloren aan de Japanners.
Voor Nederland begon intussen een zware tijd. De Duitse bezetters, sinds 28 mei 1940 onder Reichskommissar Arthur Seyss-Inquart, beschouwden het land niet alleen als oorlogsbuit die uitputtend gebruikt moest worden voor de algemene Duitse oorlogvoering (o.a. dwangarbeid in Duitsland), maar ook als een van de gebieden waarin de nazi-ideologie goedschiks of kwaadschiks moest worden ingevoerd en gaan overheersen. Sterke steun aan de kleine NSB (Nationaal-Socialistische Beweging), die zich haastig opwierp als helper van Duitsland, en oprichting van allerlei nieuwe nationaal-socialistische instellingen en organisaties (o.a. de SS Nederland) moesten dit bevorderen. Andere politieke partijen werden al op 5 juli 1941 definitief verboden. Toch lukte het de bezetter niet een grote aanhang voor het nationaal-socialisme te verwerven.
Op maatschappelijk gebied waren de gevolgen veel ernstiger toen de Duitsers ook in Nederland de joden begon te vervolgen en door deportatie en massamoord in concentratiekampen het grootste deel van de joodse bevolking in Nederland wist uit te roeien (104.000 doden op een totaal van 140.000). In de oorlog werden drie grote proteststakingen gehouden (de Februaristaking in Amsterdam tegen het wegvoeren van joden in 1941, de Meistakingen in 1943 en de Spoorwegstaking vanaf september 1944). Een minderheid voerde actief verzet zoals hulp aan de joden en andere slachtoffers van het regime, het organiseren van de zogenaamde onderduik, ondergrondse pers, spionage en sabotage en voorbereiding voor militaire hulp bij de bevrijding.
In politiek opzicht was daarbij van belang dat in deze illegale beweging politieke toekomstplannen werden gemaakt, die via de ondergrondse pers onder een groter publiek werden verbreid. Het waren meest radicale plannen, die na de bevrijding in twee etappen – namelijk het gebied ten zuiden van de rivieren in september-november 1944 en overig Nederland in april en mei 1945 – weinig kans van slagen bleken te hebben.

Politieke ontwikkelingen na 1945 en wederopbouw

Nderland Willem Drees

Willem Schermerhorn van de Nederlandse Volksbeweging en Willem Drees van de SDAP formeerden het eerste naoorlogse kabinet en op 24 juni 1945 ging de regering–Schermerhorn-Drees van start.
Aan dit zogeheten “nationaal kabinet voor herstel en vernieuwing” namen vertegenwoordigers van RKSP, SDAP, CHU, Liberale Staatspartij en de VDB deel. Men stelde zich tot taak het productieproces op gang te brengen, het woningbestand te repareren, de zwarte handel terug te dringen en de lonen en prijzen te beheersen. Als eerste begon men met de geldzuivering van minister van Financiën Lieftinck. Ook werd het in Londen al ontworpen systeem van Bijzondere Rechtspleging en zuivering vanwege de noodzakelijke politieke zuivering aangepast.
De vooroorlogse verzuiling op partijpolitiek gebied bleef grotendeels bestaan en echte politieke vernieuwing bleef vooralsnog uit. De ARP, CHU, SGP en CPN kwamen direct na de oorlog weer terug, terwijl de RKSP alleen haar naam veranderde in Katholieke Volkspartij (KVP). Belangrijk was nog dat de VDB grotendeels opging in de nieuw opgerichte Partij van de Arbeid (PvdA), in februari 1946 opgericht en voortkomend uit de SDAP.
Op 17 mei 1946 werden de eerste verkiezingen gehouden en de door de PvdA gehoopte “doorbraak” mislukte. De PvdA kreeg zelfs een lager percentage van de stemmen dan de in deze partij samengekomen groeperingen vóór de oorlog hadden behaald. De confessionele partijen handhaafden zich goed en de communisten van de CPN wonnen flink. De KVP wilde samenwerken met de PvdA en in juli kwam het kabinet-Beel tot stand, grotendeels bestaande uit vertegenwoordigers van PvdA en KVP. Belangrijk in deze periode was de totstandkoming van de ouderdomsverzekering van Drees. De binnenlandse politiek werd vrijwel geheel door de kwestie-Indonesië beheerst. Met name de politionele acties zorgden nationaal en internationaal voor veel opschudding. Onder andere als gevolg van de Indonesische politiek was de PvdA-er Oud met een aantal medestanders in oktober 1947 uit de PvdA getreden en sloot zich aan bij de door Stikker geleide Partij van de Vrijheid, die de naam Volkspartij voor Vrijheid en Democratie (VVD) kreeg. Na de verkiezingen in 1948 werd in juli 1948 het kabinet-Drees geformeerd. Ook nu stond de situatie in Indonesië weer hoog op de politieke agenda. Op 27 december 1949 vind de soevereiniteitsoverdracht van Indië plaats, met uitzondering van Nieuw-Guinea.
In 1949 trad Nederland ook toe tot de Noord Atlantische Verdrags Organisatie (NAVO). Op 25 juni 1952 vonder er weer verkiezingen plaats waarbij de PvdA de grootste partij werd. Ook nu werd Drees weer leider van een kabinet dat deze keer bestond uit de PvdA, KVP, ARP en CHU. Deze combinatie kwam ook tot stand na de verkiezingen van 13 juni 1956, en ook nu werd Drees weer premier.
Dit kabinet hield het maar iets meer dan twee jaar vol nadat alle socialistische ministers in december 1958 aftraden na een conflict met de kamer. Op 12 maart 1959 vonden daarom vervroegde verkiezingen plaats die door de VVD werden gewonnen terwijl de PvdA, CPN, CHU en ARP veel stemmen verloren. De PvdA en de CPN verloren veel stemmen aan een nieuwe partij, de Pacifistisch-Socialistische-Partij (PSP).
Het kabinet-De Quay, zonder de PvdA, kreeg al snel te maken met de problemen rond Nieuw-Guinea, dat werd opgeëist door Indonesië. Onder Amerikaanse druk sloot de Nederlandse regering in augustus 1962 een akkoord waarbij Nederland het bestuur over westelijk Nieuw-Guinea overgedragen werd aan een speciaal orgaan van de Verenigde Naties. Tevens werd overeengekomen dat de Papoea’s zich voor eind 1969 in een volksstemming over hun politieke toekomst zouden kunnen uitspreken.

De jaren zestig

Nederland PSP

De verkiezingen van 15 mei 1963 leverden veel stemmenverlies op voor de PvdA en de VVD, terwijl de PSP haar zetelaantal verdubbelde. Nieuw in de Tweede Kamer waren het Gereformeerd Politiek Verbond (GPV) met 1 zetel en de Boerenpartij met 3 zetels. Opnieuw werd er een VVD-KVP-kabinet geformeerd onder leiding van Marijnen. Moeilijke vraagstukken in deze kabinetsperiode lagen op het gebied van de loonpolitiek, het radio- en televisiebestel en de verwikkelingen rond de geloofsovergang en het huwelijk van prinses Irene met de Spanjaard Juan Carlos van Bourbon.

De meningsverschillen omtrent de toekomst van het radio- en televisiebestel liepen zo hoog op dat het kabinet in februari 1965 zijn ontslag aanbood. Het hierop volgende kabinet-Cals bestond uit KVP, PvdA en ARP. Dit kabinet kreeg te maken met de problemen rond het huwelijk van prinses Beatrix en de Duitser Claus von Amsberg. De huwelijksplechtigheid in Amsterdam werd ontsierd door rookbommen en relletjes. Het beleid van Cals was vooral gericht op uitbreiding van de collectieve voorzieningen. De financiering daarvan leidde bij de KVP, de partij van Cals, tot hevige kritiek. In de “nacht van Schmelzer” (13 op 14 oktober 1966) werd een motie aangenomen voor een betere dekking van de overheidsuitgaven. Onder andere een groot deel van de KVP-fractie stemde voor de motie en daarop diende het kabinet-Cals zijn ontslag in.
Bij de vervroegde verkiezingen van 15 februari 1967 verloren de PvdA en de KVP en behaalde de nieuwkomer D’66 (nu: D66) zeven zetels in de Tweede Kamer.

Nederland Piet de Jong

Door Piet de Jong werd een kabinet samengesteld uit KVP, ARP, CHU en VVD. De problemen van dit kabinet lagen vooral op sociaal-economisch gebied. De invoering van de btw (belasting toegevoegde waarde) op 1 januari 1969 leidde tot grote prijsstijgingen en een prijsstop in april van dat jaar. Ook een nieuwe loonwet leidde tot grote problemen met de Tweede Kamer. Al in februari 1968 verloor de KVP vier kamerleden die een eigen fractie vormden. Met een aantal afgescheidenen uit de ARP werd in april de Politieke Partij Radikalen (PPR) opgericht.

In de PvdA splitste zich in april 1970 een gedeelte van de rechtervleugel uit de partij af, en stichtte de partij Democratisch Socialisten ’70 (DS’70). Deze partij werd met 8 zetels de grote winnaar van de verkiezingen van 28 april 1971. De oude coalitie haalde geen meerderheid en samenwerking met een van de partijen van de linkerzijde was uitgesloten omdat PvdA, D’66 en PPR de verkiezingen waren ingegaan met een gezamenlijk program, een “schaduwkabinet” hadden geformeerd en formatie-onderhandelingen na de verkiezingen afwezen. Daarnaast had het PvdA-congres in 1969 een resolutie aangenomen waarin samenwerking met de KVP werd uitgesloten, tenzij deze partij alsnog met het kabinet-De Jong zou breken.

De jaren zeventig

Nederland Joop den Uyl

Uiteindelijk lukte het de ARP-fractieleider Biesheuvel om een kabinet te formeren uit vertegenwoordigers van KVP, ARP, CHU, VVD en DS’70. Dit kabinet kreeg te maken met de eventuele gratieverlening aan de “Drie van Breda”, Duitse oorlogsmisdadigers die in Breda een levenslange straf uitzaten. Uiteindelijk kregen ze na veel commotie in de Tweede Kamer en onder de bevolking geen gratie. Economisch had Nederland sterk te lijden onder een hoge inflatie. Op 17 juli 1972 trad DS’70 uit de regering en werden weer vervroegde verkiezingen uitgeschreven. Grote winnaar van de verkiezingen werd de VVD en ook de PvdA en de PPR boekten winst.
Na een langdurige formatie kwam het kabinet-Den Uyl (PvdA, PPR, D’66, KVP en ARP) tot stand dat als motto de spreiding van macht, kennis en inkomen predikte.
De wereldwijde oliecrisis in 1973 stelde dit kabinet voor grote problemen. Het lukte nog wel om de lonen en prijzen te beheersen waardoor de inflatie teruggedrongen kon worden, maar de werkloosheid nam sterk toe. Een delicaat probleem was de Lockheedaffaire waarbij prins Bernhard, de man van de vroegere koningin Juliana betrokken zou zijn geweest. In deze kabinetsperiode werd de vroegere kolonie Suriname onafhankelijk. Het kabinet diende in februari 1977 zijn ontslag in vanwege interne onenigheid over de grondpolitiek.
In 1976 besloten de drie confessionele partijen KVP, CHU en ARP om in 1977 in federatief verband als Christen-Democratisch Appèl (CDA) aan de verkiezingen van 25 mei 1977 deel te nemen, waarna in 1980 de omvorming tot politieke partij volgde. De verkiezingen werden gewonnen door de PvdA en de VVD, waarna de langste kabinetsformatie uit de Nederlandse parlementaire geschiedenis volgde: 208 dagen. Het zou uiteindelijk een CDA-VVD kabinet worden onder leiding van de CDAer Dries van Agt. Ook dit kabinet had veel economische tegenwind. Een wereldwijde economische crisis leidde tot meer dan 400.000 werklozen en een oplopend begrotingstekort. Bovenop deze problematiek kan nog gevoegd worden het aftreden van de ministers van Defensie en Financiën.
Voor veel maatschappelijke onrust zorgden de discussies in de kamer en in het land over de invoering van de neutronenbom en de stationering van kruisraketten op Nederlands grondgebied. Op 30 april 1980 werd koningin Beatrix in Amsterdam gekroond, en ook nu vonden er ernstige rellen plaats.

De jaren tachtig

Nederland Dries van Agt

De grote winnaar van de verkiezingen van 1981 was D’66. Het CDA en de VVD verloren de absolute meerderheid, maar door het grote verlies van de PvdA bleef het CDA de grootste partij. De nieuwe regering bestond uit het CDA, PvdA en D’66, met als premier Dries van Agt en vice-premier Joop den Uyl van de PvdA. Door grote problemen op financieel gebied haakte de PvdA binnen een jaar af en werden er vervroegde verkiezingen uitgeschreven.
Grote winnaar werd de VVD onder leiding van Ed Nijpels en er ontstond een meerderheid van CDA en VVD. Dit kabinet stond onder leiding van CDAer Ruud Lubbers die een stringent bezuinigingsbeleid voerde. Het kabinet kwam in de problemen door de parlementaire enquête naar aanleiding van de RSV-affaire en dat kostte de VVD bij de verkiezingen van 1986 veel stemmers. Door de grote winst van het CDA kon de combinatie CDA/VVD nogmaals een regering vormen, zij het dat de VVD door het stemmenverlies minder in te brengen had dan het CDA. Bijzonder was dat de CPN na 68 jaar uit de kamer verdween.

Nederland Ruud Lubbers

Het lukte dit kabinet om het financieringstekort en de werkloosheid terug te dringen. Aan de andere kant waren er vele affaires die verschillende ministers en staatssecretarissen de kop kostten, met name van de VVD. In 1989 geraakte de VVD in een interne gezagscrisis die door de toenmalige leider Voorhoeve verloren werd, waarna hij het kabinet liet vallen.
Bij de vervroegde verkiezingen in 1989 leed de VVD zware verliezen. Desondanks behield de CDA/VVD coalitie een kleine meerderheid, doch het CDA koos ervoor om met de PvdA in zee te gaan. Voor de derde keer kwam er een kabinet onder leiding van Ruud Lubbers met deze keer als vice-premier Wim Kok, voormalig vakbondsman en opvolger van de illustere Joop den Uyl.

De jaren negentig

Nederland Wim Kok

In de tweede helft van 1991 was Nederland voorzitter van de Europese Gemeenschap. Nederland slaagde er niet in om een bestand te realiseren in de oorlog in Joegoslavië. Ook het Nederlandse voorstel om tot een Europese Politieke Unie te komen haalde het bij lange na niet. Wel werd op de topconferentie in Maastricht in december 1991 het Verdrag van Maastricht aangenomen, waardoor op 1 november 1993 de Europese Unie ontstond.
Na de verkiezingen in 1994 ontstond het kabinet-Kok met naast de PvdA, de VVD en D66. Dat betekende dat er sinds 1918 geen confessionele partij in de regering zat en er voor het eerst in 42 jaar liberalen de sociaal-democraten regeerden. De speerpunten van dit eerste zogenaamde “paarse” kabinet waren bestuurlijke en politieke vernieuwing, hestel van de werkloosheid en flexibilisering van de arbeidsmarkt. Met name in economisch opzicht was het kabinet-Kok zeer succesvol en binnen een aantal jaren was de werkloosheid zeer fors teruggedrongen. Het stelsel van sociale voorzieningen werd grondig versoberd.
In 1995-1996 deed een volgende parlementaire enquête, naar de opsporingsmethoden bij de politie, weer veel stof opwaaien en binnen de EU groeide, met name van Franse zijde, de kritiek op het in hun ogen lankmoedige drugsbeleid.
Een zwarte bladzijde in de geschiedenis van de krijgsmacht vormden de gebeurtenissen in en rond de Bosnische moslimenclave Srebrenica in de zomer van 1995. Nederlandse VN-soldaten moesten daar machteloos toezien hoe de enclave onder de voet werd gelopen door Bosnische Serviërs, waarna duizenden moslims werden vermoord.
Onder Nederlands voorzitterschap kende het Verdrag van Amsterdam maar één belangrijke overeenkomst: het zogenaamde Stabiliteitspact, waarin de begrotingseisen werden vastgesteld waaraan landen moesten voldoen als ze tot de Europese Monetaire Unie (EMU) wilden toetreden.
De betrekkingen met Suriname bleven slecht o.a. door het in juni 1997 uitvaardigen door het Nederlandse Openbaar Ministerie van een internationaal arrestatiebevel tegen de voormalige legerleider Desi Bouterse wegens zijn vermeende betrokkenheid bij drugssmokkel.
In februari 1997 werd voor het eerst sinds 1989 in Nederland varkenspest geconstateerd. De pest greep snel om zich heen ondanks maatregelen van het ministerie van Landbouw werden er in totaal ruim 400 varkenshouderijen getroffen en miljoenen varkens moesten worden afgemaakt. De varkenspest was voor de minister van Landbouw Van Aartsen aanleiding, ook in het belang van het milieu, rigoureus het mes te zetten in de nog steeds groeiende varkensstapel.
Op 6 mei 1998 vonden parlementsverkiezingen plaats, waarbij de PvdA, VVD en Groen Links de grote winnaars werden en het CDA en D66 de grote verliezers.
Er kwam een tweede “paars” kabinet-Kok tot stand met ongeveer hetzelfde beleid omdat het zogenaamde poldermodel ook internationaal steeds meer erkenning kreeg. Ook de parlementaire enquête naar de behandeling van de Bijlmerramp, het neerstorten van een Israëlische Boeiing op twee flats in de Bijlmermeer in 1992, baarde veel opzien.
Van diverse kanten werd er herhaaldelijk op aangedrongen ook een parlementaire enquête uit te voeren over de gang van zaken rond de val van de Bosnische enclave Srebrenica. Tot nu toe wordt er alleen een onderzoek gedaan door het Nationaal Instituut voor Oorlogsdocumentatie. Na de presentatie van het rapport in 2002 werd alsnog besloten om in de tweede helft van 2002 een parlementaire enquête te houden.
In mei 1999 leek het kabinet te vallen n.a.v. het wetsvoorstel over een correctief wetgevingsreferendum, een wens van D66 en inhoudend dat burgers een wetsvoorstel zouden moeten kunnen tegenhouden nadat het is aanvaard door de Tweede en Eerste Kamer. In februari 1999 stemde de Tweede Kamer in met een wijziging van de grondwet om een dergelijk referendum mogelijk te maken. Vervolgens bleek in de Eerste Kamer geen meerderheid voor het wetsvoorstel te vinden en dreigde D66 met een kabinetscrisis als het correctief referendum zou worden afgewezen. De crisis werd echter gelijmd en het demissionaire kabinet kon weer verder regeren.
Economisch ging het Nederland nog steeds voor we wind ondanks economische problemen in Azië, Rusland en Latijns-Amerika. Net als de voorgaande drie jaren zou de economische groei boven de 3% uit gaan komen volgens het Centraal Plan Bureau (CPB). De geregistreerde werkloosheid ging maandelijks met 6000 omlaag en in april 2000 telde Nederland voor het eerst sinds 1980 minder dan 200.000 werklozen. Bovendien werd voor het eerst in 25 jaar de Rijksbegroting in 1999 afgesloten met een overschot van ƒ2 miljard. In april 2000 bleek dit bedrag te zijn opgelopen tot ƒ 6 miljard. De regering verklaarde dat het zou worden besteed aan o.a. onderwijs en zorg, politie en milieu.
In 1999 nam Nederland deel aan de luchtacties van de NAVO boven Servië tijdens de oorlog in Kosovo.
Op 1 januari 2002 werd de Nederlandse gulden vervangen door de euro, de gezamenlijke munt van een aantal landen van de Europese Unie.

Nederland Pim Fortuyn

In de jaren negentig van de vorige eeuw kwamen de zogenaamde “Leefbaar”-partijen sterk op, o.a. in Hilversum onder leiding van Jan Nagel, een voormalig PVDA-politicus. Door o.a. Nagel werd de landelijke partij Leefbaar Nederland opgericht die in 2002 mee deed aan de landelijke verkiezingen. Als lijstrekker werd de populaire Pim Fortuyn aangetrokken. Na een geruchtmakend interview in de Volkskrant, waarin Fortuyn afstand nam van de partijlijn, stapte Fortuyn op en richtte zijn eigen partij op, de Lijst Pim Fortuyn. In de peilingen voor de verkiezingen bleek dat de LPF op 20 à 30 zetels kon rekenen. Op 6 mei 2002 werd Pim Fortuyn doodgeschoten. Een week later werden de verkiezingen voor het Nederlandse parlement gehouden en behaalde de LPF 26 zetels en werd daarmee de tweede partij van het land.
Er werd een coalitie gevormd tussen CDA, VVD en nieuwkomer LPF, die echter nog geen 100 dagen stand zou houden. Op 16 oktober 2002 werd duidelijk dat het kabinet zou vallen als gevolg van de voortdurende ruzie tusssen twee LPF-ministers en de vele interne problemen in zowel de LPF-Tweede Kamerfractie als in de partij.
Als gevolg hiervan werden er op 22 januari 2003 weer verkiezingen gehouden. Het CDA bleef nipt de grootste partij. De christen-democraten haalden 44 zetels, één meer dan op 15 mei 2002. De PvdA kwam uit op 42 zetels, een winst van 19. Voor de VVD bleef de winst beperkt: de liberalen gingen van 24 naar 28 zetels.

Volledige uitslag:

januari 2003 mei 2002 1998
CDA 44 43 29
PvdA 42 23 45
VVD 28 24 38
SP 9 9 5
LPF 8 26 0
Groen Links 8 10 11
D66 6 7 14
ChristenUnie 3 4 5
SGP 2 2 3
Leefbaar Nederland 0 2 0

Er werd een kabinet gevormd van CDA, VVD en D66. Dit kabinet kwam in het voorjaar van 2006 ten val en er werden vervroegde verkiezingen uitgeschreven die in november 2006 werden gehouden.

Na de vervroegde parlementsverkiezingen van 22 november 2006 bleef het CDA de grootste fractie in de Tweede Kamer met 41 zetels. De PvdA verloor 9 zetels en kwam uit op 33 zetels. De SP van Jan Marijnissen behaalde een monsterzege van 25 zetels.
De VVD werd de vierde partij van het land met 22 zetels. GroenLinks haalde zeven zetels, de PVV van Geert Wilders negen, D66 drie, de ChristenUnie zes, de SGP twee en de Partij voor de Dieren twee. Lijst Vijf Fortuyn, de vroegere LPF, die in 2003 nog goed was voor acht zetels, verdween uit de Kamer. Ook EénNL van Marco Pastors en de partij van Nawijn haalden geen zetels. Vanaf februari 2007 lijdt Jan Peter Balkenende een coalitie van CDA, PvdA en de ChristenUnie.

Nederland Jan Peter Balkenende

De partij van de Vrijheid van Geert Wilders maakt in 2008/2009 een grote opmars in de peilingen. Geert Wilders wordt voor het gerecht gedaagd vanwege het aanzetten tot haat tegen de Moslims. In juni 2009 wordt de partij van de vrijheid van Wilders de tweede partij van Nederland bij de Europese verkiezingen. In februari 2010 valt het kabinet Balkenende over het al dan niet verlengen van de troepenmacht van Nederland in Afghanistan. In juni 2010 zijn er verkiezingen met een onduidelijke uitslag. Na een spannend en emotioneel partijcongres van het CDA (een derde stemt tegen een akkoord om samen te werken met de partij van Geert Wilders)) lijkt in oktober 2010 de weg vrij voor er een rechts minderheidskabinet van CDA en VVD met gedoogsteun van de PVV. Het kabinet onder leiding van VVD-leider Mark Rutte is beëdigd. De ministers verschenen donderdagmiddag 14 oktober 2010 om kwart over een op het bordes van Paleis Huis ten Bosch in Den Haag.

Nederland Mark Rutte

De Nederlandse Antillen bestaan sinds 10 oktober 2010 niet meer in hun huidige vorm. Sinds die datum zijn Curacao en Sint Maarten zelfstandige landen binnen het koninkrijk.Bonaire, Sint Eustatius en Saba zijn nu bijzondere gemeenten van Nederland. In april 2012 valt het kabinet omdat Wilders de gedoogsteun intrekt. Bij de verkiezingen van september 2012 wordt de VVD de grootste partij, op de voet gevolgd door de PvdA. In november treedt een kabinet van VVD en PvdA snit aan. Deze combinatie wordt gesteund door een meerderheid in de tweede kamer, maar heeft geen meerderheid in de eerste kamer.

Nederland Willem-Alexander wordt Koning

In April 2013 wordt Willem-Alexander koning van Nederland. In 2013 moet de regering diverse deals met de oppositie sluiten om hervormingen politiek haalbaar te maken. Met name D66, CU en SGP krijgen de status van geliefde oppositiepartijen. De SP en de PVV blijven fel tegen het kabinetsbeleid ageren. Eind 2013 en begin 2014 lijken de economische vooruitzichten iets te verbeteren en klimt Nederland langzaam uit de recessie. In mei 2014 wordt Volkert van der Graaf, de moordenaar van Pim Fortuyn op voorwaarden vrijgelaten nadat hij twee derde van zijn straf heeft uitgezeten. In juli 2014 wordt Nederland in rouw ondergedompeld na het neerschieten van vlucht MH 17 boven Oost-Oekraïne, aan boord waren 298 slachtoffers onder wie 194 Nederlanders.